Je leven is wat je denken ervan maakt! Psychische zelfhulp van Plato

Tegenwoordig worstelen veel mensen, vooral jongeren, met psychische problemen. Waar het leven vroeger simpel was – de kaders waren duidelijk en er werd vaak voor je gedacht – moet je je tegenwoordig staande houden in een wereld zonder duidelijke kaders, een wereld waarin alles kan, maar ook alles moet, zo lijkt het soms. Via sociale media en reclames worden je beelden voorgeschoteld waaraan je moet voldoen om maatschappelijk succesvol te zijn. Je moet bovendien een goede opleiding hebben, en anders ben je een loser. Geen wonder dat vooral jongeren behoefte hebben aan houvast en hulp. Maar hoe vind je je weg in het oerwoud van coaches, hulpverleners en zelfhulpgoeroes? Dan kan het helpen om terug te vallen op inzichten die zich duizenden jaren hebben bewezen. Een van de wijzen die ons daarbij kan helpen is een van de grootste denkers van de westerse wereld, Plato. Plato kan ons helpen ons denken (de ‘psyche’) beter te richten en daarmee houvast te bieden in de woelige wereld waarin we tegenwoordig leven. Want, zegt Plato eigenlijk, je leven is wat je denken ervan maakt. 

De psychische epidemie van de Westerse wereld

In haar rapport ‘De zorg van morgen begint vandaag’ uit het voorjaar van 2023 concludeert het RIVM dat bijna de helft van de jongeren continu onder druk staat. Ze ervaren angst en stress door een veelheid van factoren: de toegenomen druk op school en in het hoger onderwijs, de verwachtingen thuis van hun ouders, gebrek aan concentratie. Het gevolg? Weinig motivatie, een slechte werkhouding en sociaal-emotionele spanningen. Dit beeld van zware mentale druk wordt bevestigd door het Trimbos-onderzoek ‘Harder Better Faster Stronger?” van zomer 2023. Daarnaast geeft TNO aan dat maar liefst 26,6 procent van de werknemers tussen de 25 en 34 jaar ‘burn-outklachten’ ervaart.

Psychiater Damiaan Denys zet het nog wat steviger neer. Hij heeft het over een mondiale geestelijke gezondheidscrisis, waarbij naar schatting één op de vier mensen in de loop van zijn leven een psychische stoornis zal ontwikkelen. Angst en depressie zijn daarbij de meest voorkomende klachten. Tegen de verwachting in worstelen niet de arme, maar juist de rijke landen met psychisch lijden. Bij uitstek de ‘Western, Educated, Industrialised, Rich and Democratic’- of ‘WEIRD’-samenlevingen worden door de mentale crisis getroffen. Terwijl gemiddeld één op de vier mensen in de wereld aan psychische klachten lijdt, voldoet in Westerse landen bijna één op de twee mensen aan de diagnose van een psychische stoornis. De klachten zijn talrijker en ernstiger in landen met grote sociale ongelijkheid, zoals de Verenigde Staten, dan in landen zoals Zweden. In het afgelopen decennium is vooral de toename van klachten bij jongeren uit WEIRD-samenlevingen opvallend. In de VS lijdt één op de vijf kinderen aan een mentale, emotionele of gedragsstoornis. Sinds 2010 stegen de ernstige psychische klachten bij jongeren met 71 procent, depressie met 52 procent en suïcidale klachten met 47 procent. Het zijn daarbij niet de kinderen uit arme gezinnen in rijke landen die meer klachten vertonen, maar juist de kinderen van welgestelde families. De stijging van angst, depressie en verslaving wordt toegeschreven aan culturele veranderingen. De opkomst van sociale media en technologie, een verhoogde sociale druk om maatschappelijk te presteren en een verminderde sociale band met de ouders.

Nederland noemt Denys cynisch de beste plek om gek te worden. De paradox is namelijk dat Nederland op de vijfde plek staat van gelukkigste landen ter wereld. De meerderheid (89 procent) van de Nederlanders beschouwt zichzelf als psychisch gezond. Van de jongeren tussen de twaalf tot achttien jaar voelt zelfs 95 procent zich gezond. Wie er niet voor kiest om hier te wonen moet wel gek zijn! Toch lopen Nederlanders een gerede kans om gek te worden. Vier op de tien Nederlanders zullen ooit in het leven aan een psychische stoornis lijden. In een gegeven jaar is bijna één op de vijf psychisch ziek. Iets meer dan 20 procent (21,1 procent) lijdt aan stemmingsstoornissen, 19,6 procent aan angststoornissen, 19,1 procent aan verslaving en 9,2 procent aan aandachtstekort- en gedragsstoornissen. 

Denys beschrijft ook dat de psychiatrie als medische discipline zelf in een crisis zit. Ze kan nauwelijks voldoen aan de wetenschappelijke basisvoorwaarden van de moderne geneeskunde. Van geen enkele psychische stoornis is de pathogenese bekend, waardoor de diagnostische criteria van aandoeningen vaag zijn en de behandeleffecten van interventies matig. Heel plat zegt hij hier eigenlijk dat we niet goed weten waar stoornissen vandaan komen, hoe ze zich ontwikkelen en hoe we ze moeten behandelen. Met deze schrikbarende observaties vraag je je af hoe een oude wijze van 2500 jaar geleden ons hierbij kan helpen…

De grot van Plato – symbool voor ons denken

Om te zorgen dat Plato ons kan helpen, moeten we beginnen bij zijn uitgangspunten. Plato gaat ervan uit dat er een grenzeloos beginsel of bewustzijn aan het leven ten grondslag ligt waar alle wezens (zielen) op hun beperkte niveau uitdrukking aan geven. Dat doen ze niet altijd even harmonieus en wijs, maar wel -door te ervaren en te leren – steeds beter. Hij noemt dat beginsel de Idee van het Goede (in de Christelijke wereld is dit vaak opgevat/uitgelegd als God). Idealiter leef je natuurlijk in harmonie met die grenzeloze eenheid en ben je alwetend, maar ja, hoe doe je dat dan? Hoe kunnen wij die grenzeloze harmonie leren kennen en er steeds beter uitdrukking aan geven in ons leven? Daartoe gebruikt Plato een aantal metaforen. 

Plato maakt onderscheid tussen de waarneembare wereld (de wereld van de verschijnselen, die worden verlicht door de zon) en de kenbare wereld (de wereld van het denken). Dat is de wereld van de ideeën. Die worden verlicht door de waarheid. Maar ook dit licht van de waarheid heeft een bron en dat noemt hij de Idee van het Goede. Je proeft al dat je als mens steeds ruimer kunt denken. De grenzeloze oneindigheid van de Idee van het Goede, de grenzeloze eenheid die ten grondslag ligt aan het leven, ontstijgt echter altijd alles. De waarheid, zo kun je zeggen, is dan ook ons beeld van het oneindige, het hoogste beeld dat wij ons kunnen vormen van de Grenzeloosheid. En dat beeld kun je dus steeds verruimen. Je kunt je inzicht in de harmonische eenheid achter het uiterlijke leven telkens verdiepen.

Een andere manier waarop Plato uitlegt hoe wij ons met ons denken beperken, is met de metafoor van de grot. Daarin vergelijkt hij het menselijke denken met de ervaring van een groep mensen die gevangen zit in een grot. Ze zitten vastgeketend met hun rug tegen een muurtje en zien daardoor alleen de achterwand van de grot. Achter hen brandt een groot vuur en tussen dit vuur en de gevangenen lopen continu mensen heen en weer met allerlei objecten. De gevangenen zien alleen de schaduwen van de objecten die het vuur op de achterwand werpt. Voor de gevangenen vormen deze schaduwen de werkelijkheid. 

Als de mensen die de objecten dragen met elkaar praten, dan is het voor de gevangenen net alsof de schaduwen praten. Ze beginnen de schaduwen en de stemmen te herkennen en geven ze namen. Zij ontwikkelen daarmee een soort kennis. Ze leren immers welk object bij welke stem hoort en ze kunnen voorspellen wanneer een object verschijnt, omdat ze een regelmaat herkennen.

Wat gebeurt er nu, zegt Plato, als we een van de gevangenen zouden bevrijden en hem dwingen om naar dat vuur te gaan? Waarschijnlijk zou hij eerst verblind worden, en geneigd zijn om terug te gaan naar de schaduwen, want dat is bekend voor hem. Maar als zijn ogen enigszins gewend raken aan het licht, dan ziet hij op een gegeven moment de beelden zoals ze werkelijk zijn. Hij zal nu beseffen dat dit een stuk werkelijker is dan de werkelijkheid zoals hij altijd meende dat hij was. En stel nu dat we hem nu in de wereld buiten de grot brengen. Dan volgt waarschijnlijk hetzelfde proces. Eerst is hij verblind en kan hij alleen in het schemerlicht wat dingen waarnemen. Langzaam maar zeker zullen echter ook hier zijn ogen wennen aan het licht. Dan zal hij de wereld zien zoals wij. Hij ziet levende wezens in een nog grotere werkelijkheid. Ook ziet hij dan dat alles verlicht wordt door de zon. Als hij daar dan naar kijkt, wordt hij opnieuw verblind en kan niet verder kijken. Zo zien we hier een aantal niveaus van hetzelfde proces. 

Plato beschrijft vervolgens wat er gebeurt als de gevangene teruggaat naar de grot, om aan zijn medegevangenen te vertellen wat hij allemaal heeft waargenomen. Deze lachen hem uit omdat zij het een heel raar verhaal zullen vinden. Ook als hij blijft volhouden dat wat hij heeft gezien toch echt een stuk werkelijker is dan de schaduwen in de grot, zullen ze hem niet geloven. Als hij blijft aandringen, zullen ze hem zelfs proberen hem te doden, zegt Plato. Hij is dus niet zo positief over de openheid van het denken van de gemiddelde mens. 

De samengesteldheid van het menselijke denken

Het verhaal van de grot is eigenlijk een metafoor voor de samengesteldheid van de mens, of scherper: van de diverse bewustzijnsniveaus in de mens. Plato maakt met zijn vergelijking onderscheid tussen:

  • het lagere, uiterlijk gerichte denken: gesymboliseerd door het licht van het vuur in de grot. Doordat de mens in de grot zich op de uiterlijke verschijnselen richt, mist hij de verbanden die er bestaan tussen het uiterlijke en het innerlijke leven. Hij ziet niet dat er achter verschijnselen (schaduwen) objecten zitten, die uiteindelijk van het leven buiten de grot komen en voortkomen uit de Idee van het Goede. Dus hij herkent de eenheid van het leven of bewustzijn (de Idee van het Goede) niet die door alle uiterlijke verschijnselen heen werkt. Vervolgens kun je dat ook op jezelf betrekken. Zie je jezelf als slechts een lichaam dat los staat van het ene leven, als een los atoom dat zichzelf moet zien te redden, voor zichzelf moet opkomen en in zijn eentje moet overleven? Dan leef je in de illusie van afgescheidenheid. Concentratie op deze lagere, afgescheiden denkaspecten (lichamelijk, emotioneel, vitaal en begeerte-gericht denken) zal hoogstens leiden tot een mening over uiterlijke zaken en niet tot echte kennis van zaken, tot inzicht in de innerlijke kant van het leven.
  • het hogere, bovenpersoonlijke denken: de drie hogere denkaspecten, gesymboliseerd door de drie niveaus van licht buiten de grot (het zien bij schemer, bij daglicht en uiteindelijk het zien van de Zon). Dit bovenpersoonlijke denken omvat allereerst het analytische, intellectuele denken. Daarboven staat het inzichtelijke, intuïtieve denken, dat minder gericht is op losse dingen maar op de samenhangende, universele ideeën. Daarin herken je al veel meer van de waarheid en de Idee van het Goede: de harmonieuze eenheid die ten grondslag ligt aan het leven dus. Nog beter herken je die door een zuivere focus op de eenheid der dingen. Dan is er geen scheiding meer tussen subject en object. Dit denken komt in de vergelijking van Plato overeen met het licht van de zon dat alle dingen verlicht.

De opgave nu is dit inzichtelijke, op eenheid gerichte denken te ontwikkelen: de weg van het inzicht. Want alleen zo kun je het leven en de waarheid echt plaatsen en begrijpen. Of je je in Plato’s grot bevindt hangt dus af van hoe je naar de dingen kijkt: ben je vooral gericht op je eigen persoonlijkheid, afgescheiden van het geheel, of kijk je al meer universeel en doorzie je met wat meer persoonlijke afstand hoe vraagstukken en problemen in elkaar steken en met elkaar samenhangen? Dat je onderdeel uitmaakt van een groter geheel waar je, net als je medemensen, steeds beter uitdrukking aan kunt geven, hoe imperfect ook, als lerend wezen? Dan staat niet je eigen survival in een onveilige, egoïstische en vijandige wereld centraal. Nee, dan kijk je met een blik van mededogen en staat ‘het goede doen’ en gewoon naar eigen vermogen bijdragen aan het steeds wat beter maken van onze zelf gecreëerde imperfecte wereld centraal in je denken. Met het inzicht en het mededogen dat we als mensheid kunnen groeien, en dat jij, misschien maar met kleine stapjes, maar toch, iedere dag weer een medemens verder kunt helpen met het geven van wat inzicht, voorbeeldgedrag, vertrouwen of gewoon een knuffel… 

Hoe ontsnappen we uit de grot?

Psychische problemen (en angsten, zorgen, twijfels, etc.) betreffen alle de persoonlijkheid en bevinden zich op het niveau van het lagere denken: dus in de grot. De vraag is nu hoe je uit de grot kunt ontsnappen. Ons denken werkt feitelijk als een zender en een ontvanger tegelijk. Je kunt je denken dus afstemmen (intunen) op een bepaalde golflengte. Dat gebeurt meestal onbewust. Door aangeleerde denkgewoonten beperk je je vaak tot bepaalde frequenties en afhankelijk van hoe je ontvangen gedachten begrepen hebt, zul je ze ook weer uitzenden. Ben je erg wantrouwend van karakter, dan zul je iedere goedbedoelde opmerking waarschijnlijk ‘vertalen’ als kwaad bedoeld voor jouw persoon.

De sleutel om te ontsnappen uit de grot is nu om je gedachten gerichter af te stemmen op de bovenpersoonlijke frequenties (waarmee je deze gedachten ook zult uitzenden naar je omgeving). Dat begint bij een continue verwondering en nieuwsgierigheid: neem niets vanzelf aan maar sta onbevangen in het leven, onderzoek alles kritisch en stel vooral vragen: voor je nieuwe denkkaders kunt opbouwen, moet je eerst de oude afbreken. Dat is ook de essentie van de Socratische dialoog in de verhalen van Plato: onbevangen de wereld inkijken. Het mooie is dat Plato ervan uit gaat dat ieder mens in principe alle kennis en kwaliteiten al in zich heeft. Via educatie kunnen die kwaliteiten naar buiten worden gebracht: je moet daarbij niet iemand volpompen met feiten, maar via vragen en dialoog de kennis en de inzichten naar buiten halen die iemand zelf van nature al in zich heeft. Vervolgens moet je die inzichten beproeven in het leven en in de praktijk brengen. 

Dat zal uiteraard niet vanzelf goed gaan want je hebt meestal fors geïnvesteerd in je oude denken. Daar zitten vaak onbewuste reflexen in die heel diep zitten. En vooral in tijden van spanning en stress vallen mensen (instinctief) terug in oud gedrag. Het is dus oefenen, oefenen, oefenen en blijven volhouden. Val je terug in oud gedrag: geen probleem. Het gaat erom dat je dat constateert en dan gewoon zonder te blijven hangen in zelfveroordeling gewoon weer doorgaat op je pad: vallen, opstaan, knieën schoonvegen en weer doorgaan dus. Als je dat doet wordt je nieuwe denken steeds sterker en je oude denkgewoonten steeds zwakker. Immers: wat je energie geeft en voedt, dat groeit, wat je negeert, sterft af. Feitelijk moet je je ‘ziel’ (je denken) dus draaien in de richting van het bovenpersoonlijke denken dat gericht is op het (ondersteunen van) het geheel, weg van het denken dat gericht is op alleen je eigen persoonlijkheid (daar waar je psychische issues zitten).

Hoe help je iemand anders ontsnappen uit de grot?

Dit ontsnappen uit de grot vraagt wel hulp van wijzere mensen: mensen die zelf al uit de grot zijn ontsnapt. Zij kunnen je voorzien van educatie en het goede voorbeeld. Besef daarbij: je bent in onze hedendaagse complexe samenleving feitelijk altijd leraar en leerling tegelijk. Er zijn namelijk altijd mensen wijzer en minder wijs dan jezelf. Dus zie je iemand worstelen in de grot, probeer hem dan niet te helpen door hem te zeggen wat hij moet doen of door hem te bekeren tot jouw manier van denken, maar geef hem hints, stel vragen, probeer zijn interesse, verwondering en zelfstandig denken te stimuleren. Iemand kan pas uit de grot komen als hij daar zelf rijp voor is en er zelf open voor staat. Iemand uit de grot slepen zal alleen maar averechts werken. 

Psychische problemen in het licht van de grot

Waar de hedendaagse wetenschap voornamelijk uitgaat van materialistische theorieën, gaat Plato ervan uit dat de mens een bewustzijn is, en niet een bewustzijn heeft (als gevolg van chemische reacties in het lichaam). Waar de psychische wetenschap de oorzaak van psychische kwalen dan ook vaak in het lichaam zoekt, zoekt Plato de oorzaak in het denken. Dan is een tekort of een teveel van een bepaalde stof dus niet de oorzaak van een psychische kwaal, maar het gevolg. En de aanpak ligt dan in eerste instantie niet bij pillen (behalve in extreme en acute situaties) maar in het begeleiden van anders denken. Maar hoe doe je dat dan?

Het menselijke karakter is in feite het gevolg van zelf opgebouwde gewoontepatronen. Dat begint al in de prille jeugd. Plato gaat zelfs uit van reïncarnatie dus dan kunnen die patronen nog veel dieper en hardnekkiger zijn. Elke gewoonte is de totaalsom van de handelingen die je verricht, en aan elke handeling ligt een gedachte ten grondslag. Het is, met andere woorden, het denken dat bepaalt wie we zijn. Het is door onze gedachten dat we onszelf kunnen veranderen. Het leven is daarom eigenlijk wat je denken ervan maakt.

Gedachten kunnen niet alleen hardnekkig zijn door de energie die we er vaak lange tijd ingestoken hebben, ze hebben bovendien de neiging cyclisch terug te keren. Dit is ook de reden waarom iemand bijvoorbeeld ziekelijk depressief kan zijn. De gedachten van depressiviteit komen immers steeds terug en wel in die mate dat ze alle andere gedachten overwoekeren. Zoals onkruid andere planten kan verstikken, zo kunnen bepaalde gedachten bezit nemen van het bewustzijn en andere doen afsterven. Zo lijden anderen aan suïcidale neigingen. Ook die komen cyclisch terug. Als zo’n patiënt in een ‘goede bui’ is, heeft hij geen enkele neiging tot zelfmoord. Maar die suïcidale gedachten kunnen op ieder moment in alle intensiteit terugkeren. Ook bij mensen die aan psychosen lijden, zien we vaak eenzelfde patroon. Met vaste regelmaat keren bepaalde gedachten en handelingen terug. Bij iemand met een manisch-depressieve stoornis zien we zelfs dat twee tegenpolen – het manische ofwel het ziekelijk opgewekte en de depressiviteit – elkaar cyclisch afwisselen. De vakterm voor deze kwaal is dan ook bipolaire stoornis. De ‘opgewekte’ gedachten worden geboren, terwijl de depressieve sterven. Maar ook de ziekelijke vrolijkheid sterft na een bepaalde periode, waarbij de depressiviteit herboren wordt. Overigens vindt deze stoornis zelden continu plaats. Er zijn ook ‘rustperioden’. Ook deze kwaal manifesteert zich dus cyclisch. 

Dit cyclisch terugkeren van gedachten is frustrerend, maar hierin ligt ook de oplossing voor welke psychische kwaal dan ook. Daarbij teken ik aan dat het hier gaat om het basisidee, en niet een simplistische oplossing met zevenmijlslaarzen voor zware psychiatrische patiënten. Laat ik daarom focussen op wat je zelf kunt doen bij mensen met psychische problemen in je omgeving. Zodra een gedachte aan depressiviteit, een hallucinerende gedachte of wat dan ook voor ‘psychisch-problematische’ gedachte opkomt, moet je proberen een andere gedachte te denken. Dit zal niet zeker gemakkelijk zijn. Maar het kan. Als je bijvoorbeeld erg depressief bent, dan kun je waarschijnlijk niet meer een gedachte bedenken over een gelukkig moment in je eigen leven. Maar denk dan een gedachte over een ander of over bijvoorbeeld een huisdier. Wees blij voor die persoon of dat dier. Probeer, hoe gering ook, een gedachte van een volledig andere karakteristiek te denken. Dit heeft een tweeledig effect. De eerste, problematische gedachte, wordt van zijn energie beroofd en wordt dus minder krachtig. Maar tegelijkertijd ontstaat er een gedachte van een tegenovergestelde karakteristiek. 

Natuurlijk zal een enkele poging een hardnekkig psychisch probleem niet kunnen oplossen. Maar als de dwangmatige, depressieve gedachten weer terugkomen – en dat doen ze zeker – dan zit daaraan ‘vastgeplakt’ die gedachte van een totaal ander karakter. Op die gedachte moet je je richten, zoveel als je daartoe in staat bent. Pas je dit consequent toe, dan zullen op een gegeven moment de gedachten waarvan je af wil, hebben plaats gemaakt voor nieuwe gedachten. Het probleem bij veel mensen met psychische problemen is echter dat ze zo diep in de put zitten, dat ze haast geen andere gedachten kunnen denken. Dan is het de taak van jou als zorgverlener en medemens om die aan te reiken, of beter nog als dat lukt: hen helpen deze zelf te ontwikkelen. De verantwoordelijkheid voor psychische problemen ligt immers niet alleen bij de persoon die ze heeft, maar bij ons allemaal, als medemensen, omdat wij samen de ‘denktoon’ van de huidige maatschappij (en de bijbehorende psychische epidemie) vorm geven, en dus de verantwoordelijkheid hebben om de toon van ons denken te veranderen.

We kunnen de psychische epidemie alleen samen oplossen

Je leven is wat je denken ervan maakt. Dat is geen veroordeling maar een observatie en een handreiking om je denken, en daarmee je leven te veranderen. Hoewel Plato een inspirerend perspectief biedt op de potentie van ons denken, is het ontwikkelen van nieuwe, bovenpersoonlijke denkrichtingen niet altijd gemakkelijk. Onze maatschappij is hard. Wie niet voldoet aan de eisen die gesteld worden, wordt al snel buiten gesloten. Veel mensen met psychische problemen voelen zich dan ook uitgestoten. Vaak denken mensen in psychische nood dat niemand ze wil, dat ze van geen nut zijn of dat ze vooral anderen tot last zijn. 

Een van de taken van zorgverleners (professionals en amateurs, dus wij allen) is te laten zien dat er mensen zijn die voor hen klaar staan. Mensen met psychische problemen moeten zich vooraleerst geborgen voelen. Daarbij helpt het al – heel basaal – als je je als zorgverlener onzelfzuchtig inzet om hen te helpen. Dat goede voorbeeld zal aanstekelijk werken naar iemand met een psychisch probleem: je wint er vertrouwen mee en laat zien dat de patiënt deel uit maakt van een groter geheel, en niet afgescheiden op zichzelf staat. De achterliggende oorzaak van mensen met psychische problemen is dat zij, op de een of andere manier, het vertrouwen in zichzelf hebben verloren. Ze beseffen niet dat ze schatten aan kennis, aan wijsheid, aan inspiratie in zich dragen, voor zichzelf, maar ook voor anderen, zoals de oude Plato ons 2500 jaar geleden al meegaf. Maar lijdt niet vrijwel de hele mensheid aan deze kwaal…?!

Peter Schmeitz

Plaats een reactie