Grenzen aan de groei – wat nu?

Groei vormt de kern van ons kapitalistisch systeem, maar inmiddels zijn op diverse terreinen de ecologische grenzen van de planeet bereikt of zelfs overschreden. Denk aan de ontbossing en de afnemende biodiversiteit en de uitstoot van broeikasgassen. Ook is er veel kritiek op de onrechtvaardige wijze waarop de groei op wereldschaal vorm krijgt: volgens Oxfam is de rijkste 1% van de wereld rijker dan de rest van de wereld bij elkaar en stoot deze twee keer zoveel CO2 uit als de armste 50%. Een groeiende groep vernieuwers zoekt daarom naar alternatieven, zoals vormen van groene groei of economische systemen zonder groei (degrowth). Hoe dan ook is een radicale verandering nodig om onze planeet te redden en de wereld rechtvaardiger te maken. Maar wat vraagt zo’n aanpassing en kan dat in de praktijk wel? En wat vraagt dat dan van ons zelf? In dit artikel zal ik betogen dat daadwerkelijke verandering pas zal slagen als we ons denken radicaal veranderen, niet alleen over de economie, maar over onze plek als mensheid in de wereld. 

Een blik in de toekomst…

Onlangs gaf econoom en duurzaamheidsdenker Herman Wijffels, voorheen onder meer CEO van de Rabobank, voorzitter van de SER en hoogleraar Duurzaamheid en Maatschappelijke verandering, een interview aan ‘We are the Regeneration’. Daarbij gaf hij onder meer antwoord op de vraag hoe de nieuwe tijd er volgens hem concreet uitziet: “Ik ga niet de toekomst voorspellen, maar heb wel een beeld van wat mogelijk en wat mij betreft wenselijk is voor primaire levensbehoeften als energie en voeding. In dat beeld zijn er straks geen energiemaatschappijen meer die energie produceren en distribueren. Individueel en collectief wekken mensen zelf hun energie op met oogstapparatuur, zoals panelen en warmtepompen. Wat over is wordt gedeeld op het net. Burgers verwerven zelf grond of sluiten arrangementen met boeren die volgens hun verlangens gezond voedsel produceren. Met mede als doel de grond te regenereren en door te geven aan de volgende generaties. Een groot deel van wat we nodig hebben om te leven, geven mensen vorm onder eigen regie. We leven dan in een maatschappelijk model met meer autonomie, en meer verbinding met elkaar en met de Aarde. We zijn letterlijk meer geaard. Van een systeem dat ten koste ging van het leven, gaan we dan naar een systeem dat voedend en ondersteunend is aan het leven. Dat is toch een geweldig perspectief?”

Wijffels schetst hier een heel praktisch beeld van een systeem waarbij de mensheid relatief ‘organisch’ in harmonie met de natuur leeft. Uiterlijke groei in de natuur is altijd cyclisch. Groei is daarin vooral iets voor de jeugdfase, waarna een fase van relatief stabiele bloei volgt, en daarna krimp, afsterven – en weer een nieuwe cyclus. Ongeremde groei bestaat in de natuur alleen ontwrichtend: als kankergezwel (medisch), als invasieve soorten die een ecosysteem overheersen (ecologisch), als hypes (maatschappelijk), als dwangstoornissen, fobieën etc. die het menselijke denken compleet in beslag nemen (psychisch) enzovoorts. Oneindige groei is echter ook de basis van onze huidige economische systeem. Laten we eens kijken hoe dat zit, en hoe we van dat systeem naar een meer organisch systeem kunnen komen, zoals Wijffels kort schetst.

Wat is kapitalisme?

Ons economische systeem van kapitalisme bestaat zo’n 500 jaar. Velen denken bij kapitalisme aan een markteconomie, maar toch is dat niet de essentie. Markten hebben altijd bestaan. De essentie van het kapitalisme is permanente groei. In tegenstelling tot andere economische systemen moet het kapitalistische systeem van zichzelf eeuwig uitdijen. Hoe zit dat?

In elk economisch systeem gaat het in de basis om de gebruikswaarde van een product of dienst. Zo verbouwt een boer aardappels omdat die voedzaam zijn voor mensen. Een meubelmaker maakt tafels omdat mensen daaraan kunnen zitten. Die aardappelen en tafels worden door de makers verkocht, zodat ze geld kunnen verdienen waarmee ze zelf bruikbare dingen kunnen kopen. Ook in onze samenleving nemen de meesten van ons op deze wijze deel aan de economie. 

De kern van het kapitalisme is echter dat waarde heel anders wordt geapprecieerd: niet de gebruikswaarde maar de ruilwaarde staat centraal. Aardappels en tafels hebben wel een gebruikswaarde, maar het doel van een kapitalist is niet om lekker aardappels te kunnen eten of prettig aan een tafel te kunnen zitten, en zelfs niet om deze spullen te verkopen voor andere nuttige dingen. Bij het kapitalisme gaat het om de ruilwaarde van producten en diensten, een geldwaarde of gemeenschappelijk toegekende waarde die los staat van basisbehoeften en geleverde diensten. Daarbij volstaat het niet om steeds dezelfde winst te maken. Het doel van die winst is om deze te investeren in het veranderen van het productieproces en daarmee meer winst te behalen dan het jaar ervoor. Een meubelmaker die ieder jaar een winst behaalt en die gebruikt om van te leven en zijn personeel te kunnen betalen (en bij een jaar met wat meer winst deze verdeelt over alle betrokkenen) is dan ook niet persé kapitalistisch. Zulke bedrijven zijn er altijd geweest. 

Maar kijken we bijvoorbeeld naar het bedrijf dat de computer heeft gemaakt waarop dit artikel is geschreven, nl. Apple, dan zien we een heel andere dynamiek. Apple werkt niet volgens het economische principe van de ‘stabiele toestand’ waar onze bovengenoemde meubelmakerij vanuit gaat. De winst van Apple is niet bedoeld om topman Tim Cook en zijn medewerkers van een goed levensonderhoud te voorzien. Die winst wordt geïnvesteerd: in de uitbreiding van het marktaandeel, in innovatieve nieuwe producten, in het aanboren van nieuwe afzetgebieden of in het bedenken effectievere marketing campagnes om mensen aan te sporen alweer een nieuwe I phone of AirPods te kopen die ze helemaal niet nodig hebben, maar die ze toch echt niet willen missen. De inzet van Apple is dan ook om elk jaar meer winst te maken dan het jaar ervoor. Dit is waarin het kapitalisme zich onderscheidt van andere systemen. Winst wordt kapitaal, kapitaal wordt geïnvesteerd om nog meer kapitaal te creëren. Dit proces van groei stopt niet uit zichzelf. Het systeem wordt een machine die schijnbaar niet meer kan worden gestopt en die is geprogrammeerd op eindeloze vermeerdering.

We zijn gevangen in een systeem van groei

Nu kun je Apple (of Tim Cook) betichten van hebzucht en ongebreidelde ambitie, maar dat is toch wat kort door de bocht, aangezien Apple slechts een onderdeel is van die groeimachine, dat systeem waar we zelf ook onderdeel van zijn als consumenten. Een CEO moet bijvoorbeeld verantwoording afleggen aan zijn aandeelhouders (bijvoorbeeld onze banken en pensioenfondsen) en die verlangen structurele groei. Stel je voor dat jij investeerder bent. Je wil een rendement behalen van 4-5% per jaar en je investeert in Apple. Bedenk dan wel dat dit exponentieel werkt. Als Apple elk jaar hetzelfde winstbedrag blijft halen (dat is dan 0% groei), krijg je alleen je eerste investering terug maar daar krijg je geen rente over uitgekeerd. Om genoeg surplus te genereren om investeringsrendementen uit te kunnen keren, moet Apple ieder jaar een groter winstbedrag behalen dan het jaar ervoor. 

Daarom kijken investeerders niet naar de netto winst wanneer ze de ‘gezondheid’ van een bedrijf willen bepalen; ze kijken naar het winstpercentage – met andere woorden: naar hoeveel de winst van een bedrijf elk jaar groeit. Als bedrijven niet groeien, trekken de investeerders zich terug en gaat het bedrijf ten onder: de keuze is groeien of sterven. En deze verplichting om te blijven groeien zet ook andere bedrijven weer onder druk. Daarom kunnen ook zij zich niet tevreden stellen met de ‘stabiele toestand’-aanpak: als je niet blijft uitbreiden, wordt je opgegeten door je concurrenten. Groei is daarmee een ijzeren wet geworden die iedereen gevangen houdt. En als kapitaal niet groeit, verliest het zijn waarde door inflatie, ontwaarding, etc. Dus de druk om kapitaal te laten groeien is enorm. En hoe meer kapitaal wordt opgebouwd, hoe meer die druk toeneemt.

Niet alleen de kapitalistische bedrijven, maar ook de overheden en wij als burgers hebben weinig keuze. Kapitalisme is compleet afhankelijk van groei. Als de economie niet groeit, volgt onvermijdelijk een recessie: de schuldenlast groeit, mensen verliezen hun baan en huis en hun levens staan op de kop. Regeringen moeten zich in allerlei bochten wringen om ervoor te zorgen dat de economie blijft groeien in een eeuwig durende worsteling om een crisis af te wenden. Dus zitten we in de val. Groei is een structurele verplichting, voor politici van links tot rechts. De discussie gaat meestal alleen nog over het hoe…

Grenzen aan de groei stellen ons voor fundamentele keuzes

Een permanente groei betekent in de praktijk, zoals het tot nu toe gaat, steeds hogere niveaus van grondstofwinning, productie en consumptie. Deze worden gemeten als bruto binnenlands product (bbp). Meer groei betekent in principe meer grondstoffen, meer landgebruik, meer energieverbruik, meer spullen, meer afval, meer vervuilende uitstoot, etc. tot de ecologische grenzen van specifieke gebieden of zelfs de hele aarde zijn overschreden. Om grote bedrijven in staat te stellen toenemend winstgevend te blijven moet het mondiale bbp blijven groeien met minimaal 2 à 3% per jaar. Dat lijkt wellicht weinig, maar het gaat hier om exponentiële groei. Drie procent groei houdt namelijk in dat de wereldeconomie elke 23 jaar verdubbelt, en die verdubbelt dan weer, en weer, etc. 

In 2009 publiceerde een groep gerenommeerde wetenschappers onder leiding van de milieukundige Johan Rockström van de universiteit van Göteborg een onderzoek naar de ecologische grenzen van de planeet. Daarin stellen zij negen planetaire grenzen vast waarbinnen de mensheid moet blijven om duurzaam gebruik te kunnen blijven maken van de hulpbronnen van de planeet aarde. Deze negen betreffen kernprocessen die de stabiliteit en veerkracht van ons aardse systeem reguleren. Het overschrijden van een of meer van die planetaire grenzen kan schadelijk of zelfs catastrofaal zijn omdat dit abrupte, en mogelijk niet herstelbare veranderingen in het milieu op continentale of planetaire schaal veroorzaakt. Van de negen door Rockström omschreven planetaire grenzen zijn er inmiddels zes overschreden. Het betreft biodiversiteitsverlies, klimaatverandering, de verstoring van de stikstofcyclus, landgebruik en recentelijk ook chemische vervuiling en de watervoorraad voor planten. Verwacht wordt dat de grenzen voor oceaanverzuring en de verstoring van de wereldwijde fosforcyclus binnenkort eveneens worden overschreden. De grens voor de concentratie aerosolen (luchtvervuiling) in de atmosfeer is nog niet gekwantificeerd. Alleen de ozonconcentratie is duidelijk nog niet overschreden. Kortom, een nogal acuut en dramatisch beeld. 

Het overschrijden van de planetaire grenzen heeft ook overduidelijk een sociale kant, want de slachtoffers zijn vaak juist de meest kwetsbaren die zich veelal minder goed kunnen beschermen tegen die verstoringen. Daar komt bij dat het grootste deel van deze overschrijdingen wordt veroorzaakt door de hoge inkomenslanden, waaronder ons eigen land, terwijl de gevolgen het hardst toeslaan in het mondiale Zuiden en het meest worden gevoeld door de armen. Denk aan de recente overstromingen in Pakistan, de extreme droogte in Oost-Afrika, etc. Uiteindelijk draait de ecologische crisis dus net zo goed om ongelijkheid. 

Niet alleen ecologisch, maar ook sociaal stellen de grenzen aan de groei ons op dit moment dus voor fundamentele keuzes. Mogen arme landen bijvoorbeeld hun economie nog wel voluit ontwikkelen nu we mondiale ecologische grenzen bereiken? En zijn wij dan bereid om minder of zelfs helemaal geen groei meer te accepteren in ons eigen land? Zo ja, wat betekent dat dan voor onze samenleving? Kunnen we dan nog wel in ieders basisbehoeften voorzien? En hoeveel basisbehoeften hebben we dan nodig? Enfin, zo afpellend raken deze fundamentele keuzes al heel snel aan ons eigen persoonlijke gedrag: ben ik onderdeel van het probleem of van de oplossing?

Het is een lastig dilemma. Klimaatverandering maakt armoede hardnekkiger, maar als mensen rijker worden gaat dat ten koste van planetaire grenzen zoals rond biodiversiteit en klimaat. Een onderzoek met de stand van de techniek in 2018 als uitgangspunt berekende dat de mondiale uitstoot in dat jaar 26 procent hoger was uitgekomen als iedereen ‘minimale toegang’ zou hebben gekregen tot de basale levensbehoeften. Het gaat dan om voldoende energie, water, en voedsel; een klein huis om in te wonen en genoeg infrastructuur om te reizen. Een niveau van welvaart dat de onderzoekers omschreven als ‘ontsnapping aan armoede en kwetsbaarheid’. Een basaal niveau van levensonderhoud dus, maar wel een kwart meer uitstoot. 62 procent van de mensen op aarde zou méér gaan uitstoten om dit welvaartsniveau te bereiken. Maar hun extra druk op het klimaat zou nog steeds minder zijn dan wat de rijkste 4 procent nu jaarlijks uitstoot – een groep waartoe overigens ook de modale Nederlander behoort… 

Zoeken naar oplossingen: groene groei of stoppen met groeien?

De grote vraag is nu hoe we ons als mensheid hieruit worstelen. Kunnen we naar een nieuw economisch model groeien en zijn we daar dan ook toe bereid? Gelukkig is er inmiddels een actieve beweging van vernieuwende denkers ontstaan over alternatieven voor de huidige, desastreuze groei. Daarbij zie je grofweg twee kampen: dat van degenen die pleiten voor groene groei en het kamp van de ‘ontgroeiers’, de zgn. ‘degrowth’  beweging. Kort door de bocht gaan de groene groeiers ervan uit dat groei nodig blijft omdat de sociale gevolgen van stoppen met groeien te groot zijn en het maatschappelijk draagvlak daarvoor op dit moment compleet ontbreekt. Bovendien is stoppen met groeien (zeker op korte termijn) te complex en bijna onmogelijk op wereldschaal te realiseren. Zij zien de oplossing in het radicaler ontkoppelen van economische groei en milieu impact. 

Als oplossingsrichtingen wordt gedacht aan het doorvoeren van stevige stimulansen, verplichtingen en verboden vanuit overheden voor o.a. het circulair maken van producten (denk aan het initiatief van de Europese Commissie voor het recht op reparatie), het stimuleren van groene innovaties en het uitfaseren van ‘grijze’ (fossiele en vervuilende) onderdelen van de economie (denk aan verwarming met aardgas of auto’s met een verbrandingsmotor). In Nederland is onder meer econome Barbara Baarsma actief in het promoten van groene groei. Zij pleit voor selectieve groei en het ‘ontgrijzen’ daarvan, dus alleen nog inzetten op groei als die groen is, dus geen groei meer in fossiele onderdelen van de economie. 

De aanhangers van de degrowth beweging gaan ervan uit dat groene groei onvoldoende zal bijdragen aan het oplossen van het probleem. De energietransitie helpt bijvoorbeeld voor het klimaatprobleem, maar vereist wel heel veel extra grondstoffen en materialen (voor bv. elektrische auto’s, windmolens of zonnepanelen). Zo pleit de Britse economisch antropoloog Jason Hickel voor een radicale wereldwijde vermindering van productie en consumptie en nieuwe indicatoren (in plaats van het Bruto Binnenlands Product) voor economisch beleid, met meer nadruk op sociale en ecologische aspecten. 

De economie zou ervoor moeten dienen dat iedereen in zijn basisbehoeften kan voorzien en niet meer dan dat. Producten als SUV’s, privéjets en fast fashion zijn niet perse nodig maar veroorzaken wel veel klimaatschade, materiaal en energieverbruik. Sectoren die geen relevante spullen produceren zouden moeten verdwijnen. De degrowth beweging kijkt bovendien naar een actieve (mondiale) herverdeling van inkomen en vermogen. Hoewel beide kampen dus hetzelfde doel hebben, een rechtvaardige en duurzame economie en samenleving, lijken ze steeds vaker diametraal tegenover elkaar te staan in een heftige polemiek over hun eigen gelijk, en die polemiek staat een krachtige en gerichte aanpak in de weg. Dat vraagt om een reflectie op groei.

Filosofische reflectie op groei

De opkomst van het kapitalisme zo’n 500 jaar geleden kwam niet uit de lucht vallen maar hing samen met een veranderende visie op de wereld. In het vroege christendom was het gangbare idee dat de mens de schepping met respect moest beheren en mocht gebruiken voor zijn nut. Met denkers als Francis Bacon (1561-1626), maar vooral Rene Descartes (1596-1650) werd een nieuwe grondtoon in het Westerse denken aangeslagen die de opmaat vormde voor de Verlichting, maar die ook nu nog stevig doorklinkt. Zij zetten een unieke mensheid, bezield met een levende geest, tegenover een dode, mechanische natuur van planten en dieren. Deze visie staat bekend als het dualisme, met de mens als het actieve subject en de natuur als het zielloze object. Zoals een van de beroemdste denkers en ethici van de Verlichting, Immanuel Kant, het uitdrukte: ‘Wat betreft niet-menselijke wezens hebben we geen directe plichten. Zij zijn slechts een middel voor een doel. Het doel is de mens.’ Deze Westerse, dualistische denkvisie zie je nog steeds terug in ons taalgebruik, met termen als natuurlijke hulpbronnen, ecosysteemdiensten, externaliteiten en zelf een neutraal ogende term als omgeving. Misschien is die term nog wel het meest treffend omdat deze in al zijn onschuld het afgescheiden subject-object denken samenvat.

In de 19e eeuw werd dit ‘afgescheiden’ denken in het Westen nog versterkt door het Sociaal darwinisme waarbij het Darwinistische principe van de ‘survival of the fittest’ werd toegepast op de menselijke maatschappij. Deze stroming leverde een ideologische rechtvaardiging voor de sociale ongelijkheid die het kapitalisme met zich meegebracht had. Toegepast op volkeren en rassen werd het een rechtvaardiging voor racisme en imperialisme. Hoewel Sociaal darwinisme tegenwoordig niet langer als een wetenschap wordt beschouwd heeft het nog lang na de gedreund in de maatschappelijke en mondiale verhoudingen, en lijkt het in het harde Angelsaksische kapitalisme soms nog springlevend.  

Willen we ander, meer houdbaar systeem, dan zullen we dus eerst naar een andere onderliggende levensvisie toe moeten, waarbij niet meer de afgescheidenheid maar de eenheid van het geheel centraal staat: minder ik, meer wij. Dat klinkt simpel, maar het vraagt een totaal ander besef van hoe wij als mens in de wereld staan; wij zijn de omgeving, wij zijn dus ook het vluchtelingenvraagstuk, Poetin en het klimaatprobleem. Dat vraagt om reflectie op onze bijdrage aan de oorzaken en de oplossingen voor deze issues. Nogmaals: zijn we onderdeel van het probleem of van de oplossing? Plato beschreef al dat in een rechtvaardige samenleving iedereen naar vermogen bijdraagt aan die samenleving en alleen krijgt wat hij nodig heeft om te kunnen bijdragen. Plato ziet een ideale samenleving dan ook als een dynamische eenheid waaraan de mens, naarmate hij wijzer wordt, steeds beter uitdrukking geeft: een lerende samenleving dus, want wijsheid ontstaat niet door dwang maar door zelfinzicht en samenwerking, en door het in dialoog uitwisselen van ideeën. 

Groei krijgt dan een diametraal andere betekenis: ten behoeve van het geheel, niet ten koste van geheel. Dat haakt aardig aan bij het idee van Baarsma van slechts gerichte, selectieve groei waar dat noodzakelijk is en het geheel dient; en ook bij de ideeën van Hickel en co. dat sectoren die geen relevante spullen produceren zouden moeten verdwijnen. Uitgaan van eenheid in de economie (en daarbuiten) gaat echter veel verder dan alleen het vraagstuk van groei. Als je het idee van eenheid centraal stelt in het denken over de economie en dit diepgaand doordenkt kom je van daaruit vanzelf bij begrippen als gelijkwaardigheid, circulariteit (met respect voor het cyclische karakter van de natuur), vertrouwen, samenwerking en gemeenschappelijkheid (groeiend eigendom wordt dan gezien als een groeiende verantwoordelijkheid naar de gemeenschap toe). 

Deze concepten kun je vervolgens concreter vertalen, bv. naar democratie als verantwoordelijkheid delen en samenwerken (tussen landen, in een maatschappij en binnen een organisatie); naar een verschuiving van lineaire en kwantitatieve naar circulaire en kwalitatieve (niet-materiële) groei; en naar het idee van ‘the commons’: de gemeenschappelijkheid van gebruik van middelen en de verantwoordelijkheid daarover. Denk daarbij bv. aan lokale energiecoöperaties en een verschuiving van bezit naar gebruik (bv. deelauto’s), maar ook het borgen van een gezamenlijke mondiaal beheer en gebruik van grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen als bossen, en het zoeken naar een nieuwe balans tussen de publieke belangen, en hoe die het beste privaat of gemeenschappelijk (via de overheid of gemeenschap zelf) kunnen worden geborgd (bv. duurzame energievoorziening, gezond voedsel, etc.). En telkens is het daarbij zoeken naar de balans op basis van een democratisch proces van dialoog. Die zal bij veranderende omstandigheden en groei van inzicht regelmatig veranderen. Dat is de dynamische eenheid van Plato’s rechtvaardige samenleving.

Pas als we de kernaspecten van het begrip eenheid goed hebben doordacht, komen we vanzelf bij de meer concrete ‘hoe’ -vragen waar nu vooral de polemiek tussen de groene groeiers en de ontgroeiers over gaat. Dan zal blijken dat niet de techniek of het geld maar onze mentaliteit (onze overheersende ‘afgescheiden’ denkvisie) de bottleneck zal zijn in de noodzakelijke omslag naar een rechtvaardige en duurzame mondiale economische ontwikkeling. De voorhoede van vernieuwers zal dan ook uit zijn polemiserende bubbel van groene groei of geen groei moeten komen, zijn stokpaardjes los moeten laten, en veel meer het fundament onder ons overheersende hedendaagse denken aan de kaak moeten stellen. 500 jaar denken verander je echter niet zo maar. Dat gaat stap voor stap, en mens voor mens. Zo bouwen we vertrouwen op in de waarde van bepaalde visies. Pas als er voldoende perspectief en vertrouwen is, zal er beweging komen in de maatschappij. 

Conclusie: van dualiteit naar eenheid als nieuw denkconcept

Een omslag naar een nieuw – rechtvaardig en duurzaam – economisch systeem gaat niet lukken als we onze levensvisie niet veranderen. Dan kan een overheid innovaties stimuleren en geboden en verboden opleggen tot ze een ons weegt, maar dat zal maatschappelijk dan niet landen en gedragen worden, en hoogstens tijdelijk een effect hebben. De basis voor een nieuw economisch systeem ligt in een omslag in het denken vanuit dualiteit (subject-object) naar denken vanuit eenheid. Deze denkwijze is niet nieuw maar is vooral in het Westen de afgelopen eeuwen naar de zijlijn gedrukt. Deze denkwijze is echter ook niet ver weg. Kijk naar het mahayana boeddhisme, diverse stromingen in het hindoeïsme, het taoïsme, en in ons eigen Westerse denken bij diverse oude denkers als Plato of de stoïcijnen. In al deze denkstelsels is het denken vanuit eenheid terug te vinden. En ook bij moderne denkers begint het denken vanuit eenheid weer concreter vorm te krijgen, niet alleen bij economen, maar ook bv. bij biologen, sociologen en natuurkundigen. Ok, het gaat nog om een voorhoede en het denken is nog niet het heersende kader, maar onder druk van de grote mondiale problemen ontwikkelt het denken zich snel. En dat is hoopvol! 

Wat kun je zelf doen? Het begint bij zelfreflectie: hoe sta ik in de wereld? Tot welk gedrag leidt mijn levensvisie? Wat zijn daarvan de gevolgen? Wat kan ik daaraan veranderen? Reflecteer eens op het denken vanuit eenheid en het denken vanuit dualiteit. Als je uitgaat van eenheid, wat kan dat dan concreet betekenen in de praktijk? Overigens zul je dan ook op andere terreinen dan de economie tot ander gedrag komen. Bijvoorbeeld in de relatie tot je medemensen en bij maatschappelijke vraagstukken als onderwijs en rechtspraak.

En laat je vooral niet ontmoedigen want 1) er is meer dan genoeg informatie over denken vanuit eenheid, en 2) je bent niet alleen. Overal in de wereld zie je mensen hun denken scherpen op dit vlak en fantastische nieuwe initiatieven tonen. Dat gebeurt ook grootschalig. Zie bv. de (weinig bekende maar) zeer indrukwekkende ontwikkelingen rond zonne-energie en elektrisch vervoer in landen als India. Deze beweging is inspirerend en daar wil je zeker bijhoren.

Dat kan door het goede voorbeeld te geven in je gedrag en je aan te sluiten bij de groeiende voorhoede van duurzame en rechtvaardige denkers en doeners. Dat kan klein door minder of geen vlees te eten, de trein in plaats van het vliegtuig te nemen, veel minder spullen te kopen maar deze te lenen, hergebruiken, delen of gewoon niet te gebruiken, etc. En ja, dat kan zonder dat het ten koste gaat van je levensgeluk – in tegendeel- want structureel levensgeluk haal je niet uit ‘afgescheidenheid’ en wat je neemt ten koste van het geheel (overvloedig consumeren, jezelf als uniek boven de rest stellen met bewerkte foto’s op social media, etc.). Heeft 3000 jaar onderzoek naar geluk immers niet aangetoond dat het veel meer erom gaat een zinvolle bijdrage te kunnen leveren aan het geheel? Dus denk kritisch en open minded mee met de grote denkers en de inspirerende nieuwe voorhoede en vorm daarbij vooral ook je eigen visie en ideaal. Daarmee plant je de zaden voor een dynamisch-harmonieuze samenleving. Hoe inspirerend is dat….?!

Peter Schmeitz

2 gedachten over “Grenzen aan de groei – wat nu?

Geef een reactie op Cornelis de Jong Reactie annuleren